Een corridor vol rode rozen
Dak'art
- door Marnel Breure
De tentoonstelling wordt geopend
Dakar, 10 mei 2002.

Op de esplanade van het beurscomplex CICES, even ten noorden van Dakar, is het een drukte van belang. In de grote zaal zal zo meteen de opening plaatsvinden van Dak'Art 2002, de vijfde biënnale voor hedendaagse Afrikaanse kunst die traditiegetrouw georganiseerd wordt onder auspiciën van het Senegalese Ministerie van Cultuur. Bezoekers en officials lopen af en aan, terwijl acht etnische dans- en percussiegroepen hun best doen een overzicht te bieden van Senegal's culturele diversiteit. Er is echter zo weinig ruimte tussen de verschillende groepen dat ze gedwongen zijn tegen elkaar in te trommelen. Van enige coherentie is geen sprake, waardoor de argeloze toehoorder in een kakofonie van geluid ten onder dreigt te gaan. En zo zal het ook de komende dagen zijn: groots en veel, en veel tegelijk. Soms kan een eerste indruk de juiste zijn.

Aan hotemetoten ontbreekt het niet op de opening van Dak'Art. Amadou Tidiane Wone wordt geflankeerd door zijn collega's van buitenlandse zaken en handel, en verder zijn er cultuurministers uit Togo, Kaap-Verdië en Mauritië, hoge jongens van de EU en de UEMOA (Economische en Monetaire Unie van West-Afrika), diplomaten en andere genodigden. Hier is duidelijk sprake van een mainstream event. Dat blijkt ook uit de VIP-behandeling die de buitenlandse biënnale-gasten, veelal verblijvend in het luxueuze Novotel-hotel, ten deel valt: ze worden een week lang van het ene naar het andere culturele evenement vervoerd in een touringcar die voorafgegaan wordt door een motoragent met sirene en zwaailicht.

World White Walls
Terwijl Dak'Art als manifestatie de indruk wekt te zijn losgezongen van de Afrikaanse realiteit, geeft de grote overzichtstentoonstelling die het hart van de biënnale vormt juist blijk van grote betrokkenheid bij die realiteit. Via het economische kunstproject van de Senegalees Mansour Ciss - een geldwisselkantoortje waar Euro's kunnen worden omgewisseld in 'Afro's' - belandt de bezoeker bij een installatie van Emeka Udemba die bij de ingang van de expositie staat opgesteld. Udemba, afkomstig uit Nigeria, maakte twee transparante gangen die naar de onpersoonlijke wereld van vliegvelden en douanecontroles verwijzen. De linkergang, breed en bezaaid met rozen, is bedoeld voor 'US and EU-citizens', de rechtergang, smalletjes en geplaveid met scherven, is gereserveerd voor 'Others'. Het ziet er imposant uit, deze 'World White Walls', en de boodschap is duidelijk.

Engagement is ook een belangrijk gegeven in het werk van Ndary Lô, de Senegalese kunstenaar die de belangrijkste prijs van deze biënnale in de wacht sleept: de Grand Prix Léopold Sédar Senghor. Het winnende kunstwerk heet 'La longue marche du changement' en bestaat uit een grote groep lange, dunne metaalfiguren die zich door een bedding van zand en oude plastic teenslippers een weg baant naar een betere toekomst. Lô wordt na de prijsuitreiking bestormd door pers en andere media, maar weet zich na enig aandringen een paar minuutjes vrij te maken om zijn werkwijze toe te lichten: 'Na alle oorlog en ellende wordt het tijd dat Afrika in het nieuwe millennium eindelijk eens een andere kant opgaat. Een kunstenaar is een ziener die nieuwe wegen kan wijzen. Ik wil mensen als het ware aanzetten tot actie.'

Volgens kunstcriticus Wouter Welling, een van de Nederlandse genodigden op deze vijfde editie van Dak'Art, beginnen internationale biënnales steeds meer op elkaar te lijken: 'Het maakt niet uit of je naar Venetië of Havana gaat, want je krijgt overal hetzelfde te zien.' Welling is juist ge´nteresseerd in de cultuurspecifieke bronnen van de kunstenaar. Voor het Afrika Museum in Berg en Dal stelde hij onder de titel 'Ad Fontes' een expositie samen over dit onderwerp. Wat Welling betreft onderscheidt de biënnale van Dakar zich in gunstige zin van andere internationale kunstmanifestaties doordat een belangrijk deel van het geselecteerde werk naar de eigen Afrikaanse omgeving verwijst. Er is in deze een verschil tussen Noord-Afrika en het gebied ten zuiden van de Sahara: 'De Noord-Afrikaanse kunst is over het algemeen subtieler en meer meditatief, terwijl het werk uit de rest van Afrika vaak wat directer van karakter is.'

Welling legt desgevraagd uit dat hij het werk van Ndary Lô absoluut de moeite waard vindt, maar als hij zelf de grote prijs had mogen uitreiken zou die vermoedelijk naar de Algerijn Mouhamed Ounouh zijn gegaan. Ounouh's installatie 'Ecoutez moi et tout ira bien' weet hem in hoge mate te intrigeren: boven de vloer bungelt een levensgrote lemen pop, omringd door figuren zonder hoofd die van ijzerdraad en doorzichtig plastic zijn gemaakt. Het werk is tegelijkertijd sereen en angstwekkend en getuigt zowel van overgave als van dreiging. Welling: 'Ik weet natuurlijk niet wat de kunstenaar bedoeld heeft, maar ik vermoed dat die leemfiguur naar de Afrikaanse traditie verwijst...'

Kwaliteit en innovatie
Ery Camara, een Senegalese museoloog annex kunstconsultant die vooral werkzaam is in Mexico, mag zich dit jaar voorzitter van de Dak'Art-jury noemen. Camara vertelt dat hij zich tijdens de eerste editie van de biënnale in kritische zin uitliet over de Senegalese cultuurpolitiek, waarna hij jarenlang werd genegeerd. 'Pas nadat ik in de jury van de biënnale van Venetië had gezeten, werd ik voor Dakar gevraagd,' zegt hij verongelijkt. De jury telt negen leden, waarvan vier uit Senegal, een uit Marokko, en vier personen die afkomstig zijn uit diverse Europese landen. Camara: 'Het idee daarachter is dat er ook aandacht moet zijn voor de aansluiting van Afrika bij de rest van de wereld.' Dat is natuurlijk heel mooi maar neemt niet weg dat de samenstelling van de commissie een ietwat merkwaardige indruk maakt. Waarom bijvoorbeeld niet gekozen voor een wat meer evenwichtige spreiding over de verschillende Afrikaanse regio's? Is de biënnale van Dakar eigenlijk niet een wat al te Senegalese aangelegenheid?

Zo is het opvallend dat van de 42 werken die tezamen de overzichtstentoonstelling vormen er maar liefst 13 door Senegalese kunstenaars zijn gemaakt. Toegegeven, dat is voor een belangrijk deel te wijten aan het feit dat veel inzenders Senegalees zijn (108 van de 352), maar dit gegeven doet onherroepelijk afbreuk aan het karakter van Dak'Art als een brede Afrikaanse manifestatie. Volgens Ery Camara is er echter al veel veranderd ten opzichte van vorige biënnales: 'Voorheen waren er bijvoorbeeld relatief veel Zuid-Afrikaanse kunstenaars, nu is de spreiding een stuk beter. Alleen Centraal-Afrika is ondervertegenwoordigd, maar dat heeft vooral te maken met de kwaliteit van het werk dat daar vandaan komt.'

Kwaliteit is het sleutelwoord geweest bij het selecteren van de tentoongestelde werken. Ery Camara: 'Daarbij is ook gelet op innovatie. Het is telkens opnieuw de vraag in hoeverre een werk verrijkend is voor het vocabulaire van de hedendaagse Afrikaanse kunst. Het is niet de bedoeling steeds dezelfde dingen te herhalen. Dit jaar is er sowieso meer variatie omdat er een veel grotere selectie is gemaakt. Daarnaast is er ook meer afwisseling in gebruikte technieken.' Camara doelt hier onder andere op het fenomeen van de video-installatie dat met name een plek heeft gekregen in de Noord-Afrikaanse kunst. Bijvoorbeeld in 'Ecran' ('Scherm') van de Algerijnse kunstenares Zoulika Bouabdellah. Haar video laat opnamen zien van een televisiescherm met een Arabisch mannenhoofd dat non-stop in beeld is. Naast de televisie staat een vrouw. Stukje bij beetje bedekt ze het scherm met zwarte verf. Kijken en bekeken worden, ontsluieren en verhullen, waarheid en projectie, man en vrouw.

Ndary Lô probeert mens te worden
Hoewel Camara en de zijnen mijns inziens een zeer fraaie en veelzeggende expositie hebben samengesteld, zijn er met name onder de Nederlandse bezoekers ook kritische geluiden te horen. Julia Snikkers, hoofd van de artotheek in Schiedam, en Alite Thijsen, beeldend kunstenares en kenner van Afrikaanse kunst, vinden allebei dat de tentoonstelling van twee jaar geleden 'sterker' was. Wat hen betreft is de jury slechts gedeeltelijk in haar innovatieve opzet geslaagd. Thijsen is ook niet geheel en al te spreken over de keuze voor Ndary Lô als winnaar van de grote biënnale-prijs.

Lô zelf kan intussen niets meer deren. Zijn persoonlijke 'marche du changement' loopt in ieder opzicht voorspoedig. Een dag na de prijsuitreiking wordt in Studio Eberis, een galerie in hartje Dakar, zijn expositie 'Nitëntu' geopend. 'Nitëntu' is een moeilijk te vertalen term uit het Wolof die zoiets betekent als 'proberen mens te zijn'. Ook hier lange, dunne figuren die zich vaak in navrante situaties bevinden. Een groep marcherende skeletten trekt de aandacht, maar ook andere beelden lijken op de grens van leven en dood te balanceren. Lô zet een indringend oeuvre neer met een krachtig verhaal, maar het is de vraag in hoeverre zijn beeldtaal origineel is. Hebben we dit soort beelden niet al bij Giacometti gezien? 'Daar geef ik geen antwoord op,' zegt Lô. Hij stroopt mouwen en broekspijpen op en toont me zijn lange, dunne ledematen: 'Kijk, ik kom uit de Sahel!' De mens van Ndary Lô is met andere woorden geen Giacometti-figuur maar een Sahel-bewoner, een mens dat mens probeert te zijn in de uitgestrekte savanne van West-Afrika.

De vernissage in Studio Eberis weerspiegelt op geen enkele manier de worsteling waar Lô in zijn werk uitdrukking aan geeft. De expositieruimte doet wijds en voornaam aan, er zijn chique hapjes, de drank vloeit rijkelijk, een cameraploeg legt de gebeurtenissen vast voor het nageslacht en de kijkers thuis, en het geheel wordt gecompleteerd door nuffige Franšaises in designkleding die bestudeerd rondwandelen. Dit is niet Dakar, de hoofdstad van Senegal, maar de internationale ruimte van kunst en cultuur waar leden van een al dan niet vermeende high society elkaar vluchtig ontmoeten om snel weer verder te trekken. Een luchthaven. De corridor die van de gate naar de uitgang leidt is breed en met rozen bezaaid. Slechts af en toe een verdwaalde scherf. Het verschil tussen EU-burgers en 'anderen' is hier verre van duidelijk.

De valkuil van de identiteit
Gedurende drie dagen worden er lezingen en discussies gehouden over 'Contemporaine kunstproductie en nieuwe identiteiten.' Inderdaad, dat is een nogal breed, om niet te zeggen oeverloos onderwerp waar al het nodige over is gezegd en geschreven.

Ngoné Fall, een jonge Senegalese die in de jury zit, laat haar licht over de identiteit van de hedendaagse Afrikaanse kunstenaar schijnen naar aanleiding van een expositie die zij in het kader van de biënnale mocht inrichten. Fall selecteerde drie kunstenaars waar stuk voor stuk iets mee 'aan de hand is'. Berry Bickle, een Zimbabwaanse kunstenares, is blank. Aimé Ntakiyica is Burundees maar woont in België. En dan is er Amahiguere Dolo, een Malinese Dogon die eigenlijk geen beeldhouwer kon worden omdat hij geboren is in een familie van landbouwers. Deze drie kunstenaars hebben geen oude of nieuwe identiteit, aldus Ngoné Fall, maar een identiteit die in beweging is.

In de discussie die volgt wordt het probleem van de Afrikaanse identiteit in verband gebracht met de globalisering die overal om zich heen grijpt. Het is van belang dat Afrikaanse kunstenaars zich openen voor het internationale kunstcircuit zonder daarin te verdwijnen. Culturele diversiteit is een mondiaal gegeven dat niet genegeerd kan worden. Ngoné Fall: 'We zijn allemaal op een bepaalde manier hybride, maar je moet er tegelijkertijd vanuit blijven gaan dat je door de ander niet gezien wordt. Vroeg of laat loop je toch weer tegen het stereotype van de vriendelijke Afrikaan op. Ik ben geen Afrikaan, ik ben Senegalees! En ik ben helemaal niet vriendelijk! Wat is de overeenkomst tussen mij en de drie kunstenaars die ik heb uitgekozen? Dat is de eerste vraag die zich aandient.'

Yacouba Konaté, een filosoof uit Ivoorkust stelt zich in zijn lezing op het standpunt dat het de keuze van de individuele kunstenaar is om zich al dan niet als Afrikaans te profileren. Zo zegt Manu Dibango als hij 's ochtends wakker wordt tegen zichzelf: ik ga muziek maken. En niet: ik ga Afrikaanse muziek maken. In de praktijk is het echter lastig om het Afrikaanse deel van je identiteit te vergeten, het achtervolgt je als het ware. Konaté: 'Je wordt niet als Afrikaan geboren, Afrikaan zijn is een cultureel effect.'

De gedachte dat identiteit een valkuil is, keert tijdens de 'Rencontres et Echanges' herhaaldelijk terug. Identiteit en macht zijn onlosmakelijk verbonden. Waar sprake is van (etnische) identiteit is meestal ook sprake van uitsluiting. De recente geschiedenis heeft dit, zowel in Afrika als elders, op pijnlijke wijze duidelijk gemaakt. Iba Ndiaye Diadji, een vooraanstaand Senegalees kunstcriticus, behoort tot degenen die niet van plan zijn het concept 'Afrikaanse identiteit' zonder slag of stoot op te geven. Ndiaye Diadji: 'Afrikaanse identiteit bestaat! Hoe onduidelijk het begrip ook is, met valkuil en al. Trouwens, wie heeft die kuil eigenlijk gegraven?' De oplossing voor het probleem wordt door de aanwezigen vooral in pluraliteit gezocht: identiteit is een valkuil, identiteiten zijn dat niet.

In het kielzog van de minister
Zoals gezegd verloopt de eerste week van de biënnale, die na de opening nog voortduurt tot 10 juni, volgens het stramien groots en veel. Na een daglang confereren en discussiëren zijn er 's avonds te veel vernissages om door één mens bijgewoond te kunnen worden. Er is een retrospectieve tentoonstelling waarin de highlights van tien jaar Dak'Art zijn samengebracht, een expositie met sous-verres (glasschilderingen) van de overleden Senegalese kunstenaar Gora Mbengue, een designsalon en solotentoonstellingen. En dan heb ik het nog niet eens over Dak'Art Off, het niet-officiële gedeelte van de biënnale dat door kunstenaars en galeriehouders wordt aangegrepen om - verspreid over de hele stad - open huis te houden of exposities en andere presentaties te organiseren. Waren er tijdens de laatste biënnale al pakweg vijftig van dergelijke privé-initiatieven, dit jaar blijkt dat aantal ruimschoots verdubbeld te zijn. Dak'Art heeft met andere woorden een enorme impact op het culturele leven van de Senegalese hoofdstad.

Op een avond loop ik drie vernissages af. De opening van Gora Mbengue, behorend tot het officiële Dak'Art-programma, en twee exposities uit het Off-gedeelte: een tentoonstelling van Ousmane Ndiaye Dago, een Senegalese fotograaf die gespecialiseerd is in naakten van bemodderde vrouwen, en een groepsexpositie waarop een aantal kunstenaars uit Ivoorkust een staaltje van hun kunnen geven onder de titel 'La Terre est à nous'. De Ivoorku(n)stenaars weten me het meest te bekoren. Hun werk heeft een brutale, ietwat trendy uitstraling, er worden voor de verandering eens geen restmaterialen gebruikt en ik bespeur weinig aardetinten. Yacouba Konaté, die de expositie georganiseerd heeft, meldt niet zonder trots dat er geen cent subsidie aan de hele onderneming te pas is gekomen: 'Allemaal met eigen middelen voor elkaar gekregen!'

Mijn rondgang blijkt samen te vallen met het parcours dat voor cultuurminister Amadou Tidiane Wone is uitgestippeld. Op iedere vernissage duikt hij weer op, omringd door een vaste cameraploeg die de uitputting nabij lijkt te zijn. Dak'Art is een cultureel circus waarin ook de media participeren. De RTS, de Senegalese staatsomroep, zendt vrijwel iedere avond beelden uit en ook in de kranten wordt behoorlijk uitgebreid verslag gedaan van de biënnale.

De internationale markt
De biënnale mag dan uitgegroeid zijn tot een spektakel van indrukwekkende omvang, in organisatorisch opzicht loopt het niet allemaal op rolletjes. Het programmaonderdeel 'Rencontres et Echanges' is met name de eerste dag een regelrechte puinhoop. Het is volslagen onduidelijk wie waar en wanneer zal spreken, erger nog, ook bij de perstafel en de receptiebalie weet niemand dat te vertellen. Workshops en forums lopen evenmin zoals het zou moeten. De workshop over digitale kunst - een interessante nouveauté op deze biënnale - gaat twee dagen later van start dan gepland omdat de aansluiting op het Internet niet tijdig gerealiseerd is. Begeleidster Karen Dermineur doet haar uiterste best een goed humeur te bewaren. 'Op de laatste dag functioneert alles misschien optimaal,' zegt ze in optimistische berusting.

Ousseynou Wade is de eerste om toe te geven dat de organisatie van Dak'Art voor verbetering vatbaar is. Hij signaleert met name problemen op het gebied van communicatie, techniek en transport. Meer geld zou volgens Wade een belangrijk deel van de oplossing zijn, maar volgens geruchten in de wandelgangen zouden de logistieke mankementen voortkomen uit het feit dat de biënnale-directeur op grond van politieke tegenstellingen gedwarsboomd wordt door zijn eigen medewerkers. Hoe het ook zij, Wade geeft in het openbaar geen krimp. Hij blijft onder alle omstandigheden beminnelijk en heeft voor iedereen wel even tijd.

In een verloren uurtje tussen de zoveelste werkbespreking en weer een opening vertelt Wade dat Dak'Art niet altijd Afrikaans georiënteerd is geweest: 'De expositie van 1992 bevatte nog kunst van alle continenten, maar het was niet erg bevredigend iets tentoon te stellen dat je ook elders kon zien. Bovendien dreigde de Afrikaanse kunst in het geheel ten onder te gaan doordat een duidelijk referentiepunt ontbrak. Er is toen besloten om de biënnale te gebruiken als een instrument om hedendaagse kunst uit Afrika te promoten en zichtbaar te maken.'

Wade denkt niet dat deze aanpak tot artistieke gettovorming leidt. De grote overzichtstentoonstelling is weliswaar een strikt Afrikaanse aangelegenheid, maar de jury is internationaal van samenstelling. Ook de deskundigen die zijn uitgenodigd om deel te nemen aan workshops en forums komen voor een deel van buiten het Afrikaanse continent. Wade: 'Daar komt bij dat we veel aandacht besteden aan de positie van Afrikaanse kunst in relatie tot de internationale markt. Wat mij betreft is het verbeteren van die positie een van de belangrijkste doelstellingen van de biënnale.'

Kunst en ontwikkeling
Op 15 mei brengt Abdoulaye Wade, terug van de UNESCO-top, een uitgebreid bezoek aan de overzichtstentoonstelling in het CICES. De president is met name getroffen door een werk van de Beninese kunstenaar Dominique Zinkpè die op deze biënnale een prijs ontving van de UEMOA (Economische en Monetaire Unie van West-Afrika). Zinkpè's installatie toont een levensgrote figuur van jute die in een ziekenhuisbed ligt en van alle kanten is aangesloten op infusen met de namen van internationale hulporganisaties erop. De figuur, u raadt het al, moet Afrika voorstellen. Zinkpè: 'Op de een of andere manier lijken gevers en ontvangers er belang bij te hebben om de bestaande situatie in stand te houden. Zolang ik leef wordt er al hulp aan Afrika gegeven, en zolang ik leef heb ik niets zien veranderen.'

Logisch dat Abdoulaye Wade zich aangesproken voelt door het werk van Zinkpè. Als een van de voortrekkers van NEPAD, een nieuw Afrikaans samenwerkingsverband dat zich sterk wil maken voor de ontwikkeling van het continent, krijgt hij als het ware gevisualiseerd hoe het niet moet. Mij is het werk van Zinkpè, die begin volgend jaar naar Nederland komt in het kader van een ander kunstproject, echter wat al te plat.

Jawel, er is een verband tussen kunst en ontwikkeling, tussen Dak'Art en NEPAD, maar een kunstwerk is iets anders dan een plaatje bij een praatje en een culturele manifestatie is geen verkiezingsbijeenkomst. De relatie tussen een artistieke uiting en de werkelijkheid waar die uiting uit voortkomt is per definitie ambivalent. Dat geldt op de keper beschouwd ook voor het ziekenhuisbed van Zinkpè! Een kunstenaar moet zich tot zijn omgeving verhouden, maar staat er ook buiten. Hij is voortdurend in dialoog, maar ziet zich tegelijkertijd gedwongen in volstrekte autonomie zijn gang te gaan. Daarbij rijst de vraag in hoeverre de wereld in staat is een autonoom scheppend Afrika te accepteren. In het voorgaande heb ik opgemerkt dat de biënnale van Dakar elitaire trekken heeft en in zekere zin is losgezongen van de dagelijkse realiteit. Die constatering zegt in feite meer over mijn eigen ongemak dan over het belang van Dak'Art als evenement van internationale allure. Waarom zouden Afrikanen niet elitair mogen zijn? Waarom zouden ze niet zo abstract, theoretisch en sophisticated mogen zijn dat ze het leven aan de basis uit het oog dreigen te verliezen? Ontwikkeling vindt niet alleen aan de basis plaats, maar ook aan de top. Een van de wegen daar naartoe leidt door een brede gang vol rode rozen. Met hier en daar een scherf.



--

- Prins Claus Fons
Postscript:
Dit verslag is geschreven in opdracht van het Prins Claus Fonds